Onderzoek met de flowmetrie en de bladderscan

Flowmetrie betekent dat de manier waarop men plast, wordt geregistreerd. Dit gebeurt heel eenvoudig. In een toilet is een sensor bevestigd die meet:

  • Hoeveel er geplast wordt
  • Met hoeveel kracht / druk er geplast wordt
  • In hoeveel tijd de volledige plas geloosd is
  • In hoeveel tijd de maximale plasdruk is bereikt
  • De manier waarop geplast wordt (ontspannen, hakkelend, in etappes, met veel / weinig druk)

Indien van te voren bekend is dat er een flowmetrie wordt afgenomen, wordt gevraagd met een volle blaas te komen. Dit betekent niet dat de blaas zo vol moet zijn dat men dit slechts met moeite vol kan houden. De drang moet ongeveer overeenkomen met de drang die men voelt wanneer men thuis naar het toilet zou gaan om te plassen.

Tijdens het onderzoek kan men gewoon op het toilet plaats nemen of blijven staan indien men dat prettig vindt. Er wordt dan gevraagd op een zo normaal mogelijke manier te plassen. U bevindt zich alleen in een ruimte, er staat dus niemand naast u te kijken. Terwijl u plast, meet de sensor de kracht van de straal en de tijd die u plast en geeft deze weer op een scherm.

Na afloop van de flowmetrie wordt met een echo gekeken of de blaas is leeg geplast of hoeveel urine er mogelijk is achtergebleven. Het is namelijk erg belangrijk dat een blaas goed wordt leeg geplast.
Na het onderzoek bespreekt de bekkenfysiotherapeut met u wat er is waargenomen.
Op deze manier krijgen zowel u zelf als de bekkenfysiotherapeut een indruk van de manier waarop u plast en de invloed die dit heeft op uw klacht. Aan de hand van de waarneming kan het plasgedrag worden gecorrigeerd.
Het onderzoek kan na enige tijd herhaald worden om te kijken of er verbetering is opgetreden.